Belgische aluminiumlakbedrijven willen mee in de verduurzaming van de bouwsector, maar botsen daarbij op de grenzen van hun wendbaarheid. Dat stelt de Werkgroep Aluminium van VOM in een whitepaper over de sector.

De bedrijven krijgen te maken met een groeiende vraag naar specifieke kleuren en afwerkingen, hogere kosten voor grondstoffen, energie en arbeid, en de overstap naar Qualicoat klasse II-poeders. Die poeders verlengen het kleur- en glansbehoud van gecoat aluminium aanzienlijk, maar de meerkost komt vandaag vaak bij de lakbedrijven terecht.
Meer kleuren, kleinere volumes
Een van de uitdagingen voor aluminiumlakbedrijven is de toenemende variatie aan kleuren en afwerkingen. Waar vroeger vooral standaard RAL- en NCS-kleuren werden gebruikt, vragen klanten vandaag vaker klant- of leveranciersspecifieke poeders. Die worden bovendien in kleinere hoeveelheden geproduceerd.
Dat maakt het voorraadbeheer complexer. Poeders blijven soms ongebruikt op het schap liggen in afwachting van een nieuwe bestelling. Tegelijk mogen lakbedrijven voor erkend kwaliteitswerk geen vervallen poeder gebruiken. Volgens de whitepaper brengt die voorraad niet alleen extra kosten met zich mee, maar neemt ook de druk toe doordat grondstoffen zoals harsen en pigmenten duurder en schaarser worden.
Naast de logistieke uitdagingen veranderen ook de verhoudingen binnen de keten. Grotere spelers in de aluminiummarkt schrijven steeds vaker voor welke poederleveranciers gebruikt moeten worden. Kleinere loonlakkers hebben daardoor minder ruimte om zelf een poedermerk te kiezen en kunnen vaak niet dezelfde aankoopvoorwaarden bedingen als grotere marktpartijen.
Klasse II-poeders verhogen druk op marge
Naast de toenemende variatie in kleuren en afwerkingen krijgt de sector ook te maken met hogere eisen aan de duurzaamheid en levensduur van coatings.
Die ontwikkeling vertaalt zich onder meer in de groeiende aandacht voor Qualicoat klasse II-poeders. Volgens de whitepaper bieden deze poeders een langere levensduur voor kleur- en glansbehoud. Waar bepaalde klasse I-kleuren na ongeveer tien jaar beginnen te verkleuren of te verkrijten, gebeurt dat bij klasse II-poeders pas na ongeveer 25 jaar onder vergelijkbare omstandigheden.
De Werkgroep Aluminium beschouwt die evolutie als een stap richting duurzamere gevelsystemen. De hogere prestaties gaan echter gepaard met hogere grondstofkosten. Tijdens een bezoek aan poederfabrikant Protech-Oxyplast werd toegelicht dat de aankoopprijs voor lakbedrijven gemiddeld 2 tot 2,5 euro per kilogram hoger ligt dan bij klasse I-poeders.
Voor loonlakkers ontstaat daardoor een economisch spanningsveld. De overstap naar klasse II-poeders kan het voorraadbeheer vereenvoudigen en productieprocessen efficiënter maken, maar zonder prijsaanpassing richting klant leidt de hogere poederkost volgens de whitepaper tot een margedaling van ongeveer 3 tot 3,5 procent.
Meerprijs blijft beperkt
De Werkgroep Aluminium plaatst die meerkost ook in perspectief. In een rekenvoorbeeld komt VOM uit op een extra kost van 0,014 procent op het totale bouwproject. Daartegenover staat een langere levensduur van de gecoate aluminiumgevel met ongeveer vijftien jaar.
Volgens de werkgroep zou die verhouding voldoende reden moeten zijn om een beperkte prijsverhoging bij de lakker te aanvaarden. In de praktijk blijkt dat echter niet vanzelfsprekend. De opdrachtgever betaalt vandaag de meerprijs, terwijl de voordelen van een langere levensduur pas op langere termijn zichtbaar worden. Daardoor blijft de laagste prijs vaak doorslaggevend.
De sector pleit daarom voor een evenwichtiger verdeling van de kosten en baten binnen de waardeketen. Aluminiumlakbedrijven kunnen investeren in duurzamere processen en hoogwaardige coatings, maar volgens de Werkgroep Aluminium kan de verdere verduurzaming van de sector alleen slagen wanneer ook leveranciers, opdrachtgevers en eindklanten daarin hun verantwoordelijkheid opnemen.







